11 Vragen over het lerarentekort

Wacht niet tot de bliksem inslaat! Uitvallende lessen, overvolle klassen, kwaliteitsverlies: het lerarentekort veroorzaakt inmiddels in het primair onderwijs de al jaren voorspelde nadelige gevolgen en het wachten blijft op ingrepen met blijvend resultaat. Voor de kinderen van nu staan noodmaatregelen op de agenda. Moeten medezeggenschapsraden zich daarmee bemoeien en hoe smal zijn dan de marges?

Tekst Miro Lucassen - - 8 Minuten om te lezen

lege-klas-vierkant
  1. Wanneer is zeker dat onze school last heeft van het lerarentekort?
    Elke school heeft last: probeer maar eens een vacature te vervullen of een invaller te krijgen. Hoe ernstig de gevolgen zijn, hangt deels van toeval en geluk af. Denk aan langdurige ziekte of de verleiding van een andere baan binnen of buiten het onderwijs. Andere oorzaken, zoals vertrek wegens pensionering of zwangerschapsverlof, zijn beter te voorzien. De grootste vrees van elke schoolleider is een fikse griepgolf onder het personeel of een andere onverwachte samenloop van omstandigheden waardoor meerdere klassen tegelijk zonder leerkracht zitten. Het is een kwestie van tijd voordat het ook uw school overkomt. Het ministerie van OCW adviseert tijdig te bespreken welke noodmaatregelen dan aanvaardbaar zijn, in plaats van te wachten tot de bliksem inslaat.
  2. Zijn noodmaatregelen een mr-zaak?
    De zeggenschap blijft bij het bevoegd gezag, de medezeggenschap kan zelf bepalen hoe ver bemoeienis gaat. Niemand wil een klas naar huis sturen of leerlingen zoet houden door een dagprogramma te ritselen zonder onderwijskundige basis. Acute maatregelen vallen bijna nooit onder medezeggenschap, scenario’s wel. Door varianten vooraf te bespreken, kunnen de mr en de overlegpartner afspraken maken over ieders voorkeuren: de keuze uit het minste van de mogelijke kwaden. Bij het lerarentekort hebben oplossingen al snel te maken met het onderwijsproces en de ambities uit het schoolplan. Beide zijn zaken voor het instemmingsrecht, terwijl de personeelsgeleding ook instemmingsrecht heeft op het personeelsbeleid. Er zijn noodmaatregelen bedacht waarmee de mr volgens de AOb nooit kan instemmen, zoals onbevoegden zonder voorwaarden min of meer permanent voor de klas zetten. Dat zou hoogstens tijdelijk kunnen zijn, waarbij een onbevoegde ook een opleiding krijgt om bevoegd te worden. Het is niet de taak van de mr om voor zulke onaanvaardbare kwesties andere oplossingen aan te dragen.
  3. Onbevoegd personeel voor de klas, een vierdaagse lesweek invoeren, structureel overwerken, het is allemaal in strijd met afspraken en regels. Wat voor afwegingen vallen daar in de medezeggenschap nog te maken?
    Ook als de overheid tot het inzicht komt dat het beroep leraar zijn aantrekkingskracht terug moet krijgen door een betere beloning en het terugbrengen van de te hoge werkdruk, gaat het nog even duren voordat die herstelmaatregelen effect hebben en het lerarentekort is teruggedrongen. Het maakt niet uit of je het tekort optimistisch berekent op 2400 fte’s of realistisch op 3300 personen vanwege de deeltijdfactor. Bij een gemiddelde groepsgrootte van 23 leerlingen is er voor 55.000 kinderen geen onderwijs. Geen onderwijs geven mag ook niet, vanwege de wettelijke leerplicht. De vier grote steden en Almere hebben crashscenario’s geïnventariseerd, inclusief de praktische en wettelijke bezwaren. Die zijn er altijd, aangezien de eenvoudige oplossingen allang zijn toegepast. De lijst is besproken met minister Arie Slob en hij blokkeerde alleen de gedachte om kleuters pas vanaf 5 jaar toe te laten. Alle andere ideeën zijn voor de bewindsman acceptabel. De eindverantwoordelijkheid voor keuzes tussen die ingrijpende scenario’s ligt bij het bevoegd gezag. Er zal altijd ergernis en ongenoegen ontstaan. Met stip op 1 in elk draaiboek voor noodsituaties: leg uit wat er gaat gebeuren voordat het zo ver is. Gewaarschuwde ouders, personeel en leerlingen kunnen zich voorbereiden.
  4. De AOb en de inspectie kunnen toch nooit akkoord gaan met de inzet van onbevoegden voor de klas?
    Voor de AOb is min of meer permanente inzet van onbevoegden niet bespreekbaar, de inspectie mag van de minister nogal wat accepteren. Wat het bevoegd gezag ook bedenkt over ouders als ordehandhaver, onderwijsassistenten zonder begeleiding of invallen van een pedagogisch medewerker in een IKC in een kleutergroep, instemming is een brug te ver. Bespreek het wel met de overlegpartner en vraag aandacht voor de gevolgen. Wat doet een noodmaatregel met de werkdruk van personeel, met de kwaliteit van het onderwijs, hoe erg zijn de nadelige gevolgen voor de kansengelijkheid en niet te vergeten: is de ingreep makkelijk terug te draaien bij het einde van de crisis? Bij elke noodmaatregel hoort daarom een plan om op termijn het probleem de wereld uit te helpen. Dat plan verdient de volle aandacht van de medezeggenschap. En houd er tijdsdruk op, dus zorg dat de noodsituatie op de agenda blijft staan.
  5. Kan de mr vragen om de noodmaatregelen te monitoren?
    Zeker en dat is een goed middel om inzichtelijk te maken hoe erg het lerarentekort daadwerkelijk is. De minister heeft een motie van een Kamermeerderheid om het tekort te registreren naast zich neergelegd, tot ergernis van de AOb. Want de prognoses over het lerarentekort komen volgens onderzoeksbureau Centerdata bovenop het bestaande tekort. Alle reden dus om bij te houden welke noodmaatregelen – grotere klassen, onbevoegden voor de klas, kinderen naar huis – de school neemt en hoe lang. Die gegevens kan het bestuur bundelen en aan de inspectie sturen, zodat er een beeld ontstaat van omvang en ernst van het tekort. De AOb blijft daarom ook actie voeren voor een verplichte registratie.
  6. Hoe zit het eigenlijk financieel? Houdt de school geld over door het lerarentekort?
    Hoewel de kosten voor vast personeel kunnen dalen door onvervulde vacatures, verdampt die ‘winst’ al snel door de uitgaven aan noodmaatregelen. Die kunnen ook makkelijk duurder worden dan verwacht. Vrijwel alle scholen hebben de afgelopen jaren financiële reserves opgebouwd. Die potjes kunnen nu worden aangebroken om de noodsituatie op te vangen.
  7. Wat is er te doen met klassengrootte, werkweek en leeftijdsgroepen?
    Hoe groter de groep, des te hoger de werkdruk, zeker als er door passend onderwijs leerlingen bij zijn die extra aandacht vragen. Wijzigen van de groepsgrootte is relatief eenvoudiger op scholen met gemengde groepen onderbouw, middenbouw en bovenbouw, zoals in het Montessori-onderwijs.
    Combineren van groepen is radicaler: er is geen wettelijk maximum aan de grootte. Fysiek is de limiet dan hoeveel tafels en stoelen er in een lokaal passen, of in twee aangrenzende lokalen met een tussendeur. Nog verder gaat het idee om groepen uit te wisselen: als een school bijvoorbeeld maar een kleine groep 5 heeft, zouden die kinderen verdeeld worden over de groepen 5 van een andere school. Al deze varianten hebben uiteraard grote gevolgen voor de werkdruk en de onderwijskwaliteit.
    Een handreiking van het ministerie uit 2018 noemt de mogelijkheid van zeven schoolweken van vier dagen per jaar, waarbij de wel beschikbare leerkrachten rouleren. Zo wordt een vacature als het ware onzichtbaar. De limiet van zeven weken komt in een noodscenario al snel in zicht. Is het mogelijk en wenselijk verder te gaan met de vierdaagse schoolweek? Daartoe moet de onderwijstijd omlaag – een maatregel die wetgeving vereist.
  8. Kunnen we die iPads en laptops inzetten als er geen leerkracht is?
    Lesmethodes met digitale middelen gaan uit van een leerkracht die ter plekke uitleg geeft en ondersteuning biedt. De computer is dan een vervanging van het werkboek. Echte e-learning, waarbij de software probeert zich als instructeur en begeleider op te stellen, bestaat nog nauwelijks in het primair onderwijs. Het noodscenario dat in de mr aan de orde kan komen, is begeleiding van digitaal lesmateriaal door een leraar in opleiding, een onderwijsassistent of een ouder. Dat is opnieuw een maatregel die onbevoegden verantwoordelijk maakt voor onderwijs, onacceptabel in de ogen van de AOb.
  9. Hoeveel risico lopen we bij het ‘adaptief toezicht’ dat de inspectie aankondigt?
    Aangezien de minister een hele reeks noodmaatregelen aanvaardbaar vindt, kan de inspectie moeilijk zeggen dat scholen in de fout gaan als ze die toepassen - zolang het nodig is. Bij adaptief toezicht wegen de omstandigheden mee, en het zicht op verbetering in de toekomst. Wanneer een school goede redenen heeft voor de getroffen maatregelen, verwacht de AOb dat de inspectie die zal accepteren én de wens noteren voor verbetering. Uw school zal moeten laten zien dat ze actief blijft zoeken naar leerkrachten om vacatures op te vangen, en dat de leerlingen zo goed mogelijk onderwijs krijgen.
  10. Onze collega’s bieden aan structureel over te werken om de kinderen niet de dupe te laten zijn, kan dat?
    Niet alles wat kan, is ook verstandig. De 40-urige werkweek is niet voor niets ingevoerd: wie maand in, maand uit meer werkt, loopt een groot risico om overwerkt te raken. Dan loopt het lerarentekort alleen maar verder op. Steeds weer een beetje extra erbovenop zetten, is uiteindelijk funest voor uw persoonlijke welzijn, voor de kwaliteit van uw lessen en daarmee voor de school. Het lerarentekort is te groot om op te lossen met individuele extra inzet.
  11. Kan onze mr hulp van de AOb krijgen bij deze discussie?
    De AOb adviseert allereerst de mr om zich niet te ver mee te laten slepen in de zoektocht naar noodmaatregelen. Wanneer het bevoegd gezag de wet wil overtreden, is er geen reden voor de mr om zich in een onmogelijke positie te laten manoeuvreren: de verantwoordelijkheid voor werken buiten de wettelijke voorschriften ligt bij de overlegpartner, nooit bij de mr. Wanneer uw mr behoefte heeft aan advies, zijn de trainers en consulenten van de AOb te raadplegen en als uw mr een abonnement heeft op het servicepakket, zijn de eerste uren ondersteuning inbegrepen.
    De AOb werkt aan een handreiking die de noodmaatregelen rond het lerarentekort gedetailleerd in kaart brengt, met hun voors en tegens. Er zijn altijd negatieve gevolgen: kwaliteitsverlies, hogere werkdruk en risico op uitval van personeel, versterking van de kansenongelijkheid doordat niet alle ouders bijlessen kunnen betalen als het reguliere onderwijs tekortschiet. In de mr kunt u, ook als u niet instemt, bespreken hoe u die negatieve gevolgen zoveel mogelijk tegengaat.
    Houd verder voor ogen dat het lerarentekort is ontstaan doordat het beroep te weinig waardering krijgt. De echte oplossing kan niet van onderwijsgevenden komen, maar begint bij moed en daadkracht in politiek Den Haag.