Cécile de Vos, Onderwijsgeschillen ‘Praat minder over regels, meer over belangrijke zaken’

De nieuwe directeur/bestuurder van de Stichting Onderwijsgeschillen zat zelf nooit in een medezeggenschapsraad, maar werkte wel als toezichthouder en faculteitsdirecteur: “Ik ben meer een bestuurder denk ik; ik neem zelf graag initiatief voor actie.”

Tekst Anka van Voorthuisen - - 5 Minuten om te lezen

art-vrouwe-justitia

Haar zoon van 11 jaar was een tijdje lid van de leerlingenraad op zijn school. Toen ze hem voorafgaand aan dit interview met InfoMR vroeg wat hij vond van de medezeggenschap, was het antwoord: ‘Saaaaai!’
Cécile de Vos: “Hij vond dat er geen interessante onderwerpen werden besproken, dat maakte het saai. En toen dacht ik wel: jahaa, het moet natuurlijk wel ergens over gáán. Dat is vooral de taak van een bestuurder, om het mr-werk aantrekkelijk te maken. Door faciliteiten, tijd en waardering natuurlijk, maar het wordt pas echt goed als je superinteressante gesprekken met elkaar hebt. Dat is het moeilijkst. Je moet het stadium voorbij zijn van geneuzel over procedures en of je nou ergens advies- of instemmingsrecht op hebt. Een bestuurder is ervaren in het vergaderen en het agenderen van zaken. Een bestuurder moet zorgen dat er vertrouwen is over en weer, moet laten merken dat hij of zij open staat voor ideeën. Daar mag je van verwachten dat die ervoor zorgt dat er interessante onderwerpen worden besproken.”
De Stichting Onderwijsgeschillen is er om de rechtsbescherming goed te regelen en het zo simpel mogelijk te houden voor bestuurder en medezeggenschappers, vindt ze. “Zodat zij het gesprek kunnen voeren over de belangrijke dingen voor de school, meestal zijn dat niet onduidelijkheden in wet- en regelgeving.” Als faculteitsdirecteur en als voorzitter van een raad van toezicht van een onderwijskoepel in het primair onderwijs, was Cécile de Vos regelmatig en graag in gesprek met medezeggenschappers. “De gmr was voor mij als toezichthouder een serieuze partij. Daar zitten de mensen die de organisatie goed kennen: de mensen die er werken en de mensen die hun kostbaarste bezit, hun kind, daar hebben.”

Energiek uitwisselen

Dat goede gesprek is nog steeds wel een probleem, denkt ze. “De ergste overleggen, ik heb ze zelf ook meegemaakt, zijn die waarbij één iemand wat zegt en de rest achterover hangt. Bijeenkomsten waarbij alle energie weg is. Als toezichthouders hebben we samen met een nieuwe voorzitter van de gmr op een gegeven moment besloten dat we die sfeer niet wilden. Afgesproken dat de ene keer de gmr bepaalt waar we over praten en de volgende keer de rvt vraagt: hoe zit dit of dat. Dat werkte goed.

Het gaat bij het gesprek tussen toezichthouder en gmr om de informatie-uitwisseling; je hebt elkaar nodig om je taak goed uit te kunnen oefenen.

Als rvt moet je voelsprieten hebben en dan helpt het natuurlijk om een goede relatie te hebben met de gmr. Je wilt zoveel mogelijk meningen en gezichtspunten ophalen als rvt. Het gaat niet om incidenten, maar als er sprake is van wanpresteren of het schiet bijvoorbeeld niet op met de invoering van een nieuwe maatregel op het gebied van ziekteverzuim, als je dat als toezichthouder hoort van de gmr, dan heb je wel een handvat voor een gesprek met de bestuurder.”

Veelzijdig en creatief

Ze vindt het serieus jammer van haar nieuwe baan dat ze haar werk als voorzitter van de raad van toezicht O2A5 (stichting met circa 25 openbare basisscholen in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden) op moest zeggen. “Onze scholenstichting is aangesloten bij Onderwijsgeschillen, dat is dus niet te combineren.” Vooral het bezoeken van scholen gaat ze missen, verwacht ze. “Elk jaar gingen we als rvt twee ochtenden bij een paar scholen langs. Dan word je vaak rondgeleid door een groepje leerlingen, dat is zo leuk, die trots waarmee ze over hun school praten.”
De Vos geeft een pluim aan het onderwijspersoneel: “Ik vind mensen in het onderwijs ongelofelijk veelzijdig en creatief. Ze ondervangen zo veel zaken waar ze niet voor opgeleid zijn. En dat je als leerkracht dertig verschillende kinderen, allemaal verschillende persoonlijkheden, kunt laten leren én het gezellig houdt. Ik vind dat bewonderenswaardig.”
Haar eerste indruk is dat de Stichting Onderwijsgeschillen als organisatie zeer stevig staat en dat het met de expertise ‘in huis’ helemaal goed zit. De Vos: “De juridische expertise, de onafhankelijkheid van de stichting en de deskundigheid staan voor mij buiten kijf. Ik wil niet voor m’n beurt praten, het zijn maar gedachtes, maar ik denk dat overal altijd iets beter kan. Hoe zit het met onze communicatie, brengen we het goed over? Ik wil wel het gesprek aangaan met schoolbesturen en de brancheverenigingen bijvoorbeeld, of zij tevreden zijn over de ondersteuning die wij bieden. Wat kunnen we beter doen, wat kunnen we leren van de adviezen en uitspraken die we de afgelopen tien jaar hebben gedaan?”

Spannend

Haar meest positieve persoonlijke ervaring met medezeggenschap? “Bij mijn vorige baan als bestuurder op de universiteit in Tilburg hadden studenten en docenten een grote vinger in de pap bij de besteding van de kwaliteitsmiddelen. Dat gaat om veel geld, om tónnen per jaar. Dat vond ik als bestuurder best spannend: waar willen zij het geld aan besteden? Toen kwamen studenten met het plan om een dialoog te organiseren met de achterban. Ze kwamen terug met een lijst voorstellen. Een deel ervan hadden we zelf ook bedacht, maar er zaten ook een paar hele goede originele en innovatieve plannen tussen. Bijvoorbeeld het structureel toewijzen van student-assistenten aan docenten. Zowel docenten als studenten zijn daarmee geholpen, het betekende een verrijking van het curriculum en het was ook goed voor het gemeenschapsgevoel op de opleiding. Daar kun je als opleiding zelf ook weer trots op zijn, ook omdat het bedacht is door de eigen studenten. Dat krijg je dus niet voor elkaar als je als bestuurders alleen maar zelf over een zaak blijft nadenken.”