De dirigent en het koor
Stel je een koor voor. Enthousiaste zangers, een volle zaal, bladmuziek in de hand. Voor het koor staat een bevlogen dirigent. Hij weet precies hoe het moet klinken. Sneller hier. Zachter daar. Nog een keer vanaf maat 32. Dat gaat een tijdje goed. Totdat niemand meer durft in te zetten zonder eerst naar de dirigent te kijken. Het koor volgt — maar zingt niet meer samen.
Column van: Philippe Abbing
Ik moet daar weleens aan denken bij medezeggenschap. Een directeur heeft visie. Dat mag ook. Sterker nog: dat is nodig. Vaak wordt hij/zij daarop uitgekozen. Richting geven is onderdeel van het vak. Maar in de overlegkamer van de medezeggenschap verandert de rol. Daar is de directeur geen dirigent van een koor dat moet volgen, maar gesprekspartner in een ensemble.
Column van: Philippe Abbing
En dat is soms zoeken.
Een dominante directeur herken je niet altijd aan stemvolume. Soms zit het in tempo. In alvast conclusies trekken. In zinnen als: “Dit is eigenlijk geen discussiepunt meer.” Of: “Hier hebben we al uitgebreid naar gekeken.” Voor je het weet, verschuift het gesprek van samen wegen naar uitleggen waarom het al besloten is. Dat schuurt.
Niet omdat een directeur slechte bedoelingen heeft. Vaak juist omdat er druk is. Deadlines. Bestuurlijke verwachtingen. Inspectie. Formatie. Er moet tempo gemaakt worden. Maar medezeggenschap vraagt iets anders dan tempo: het vraagt ruimte. Ruimte om vragen te stellen. Om alternatieven te verkennen. Om ook eens te zeggen: “Wacht even, wat betekent dit voor de werkvloer?”
Omgaan met een zo’n directeur vraagt daarom twee dingen.
Ten eerste: stevigheid van de raad. Vragen blijven stellen. Niet in de aanval, maar wel helder. “Kunt u toelichten welke ruimte er nog is?” of “Op welk punt kunnen wij daadwerkelijk invloed uitoefenen?” Dat zijn geen lastige vragen. Dat zijn kernvragen.
Ten tweede: rolbewustzijn van de directeur. In de medezeggenschap is overtuigen iets anders dan besluiten. Het gesprek is geen hamerstuk, maar een denkruimte. Wie daar te snel doorheen wil, krijgt misschien snelheid, maar verliest draagvlak. En zonder draagvlak wordt elk besluit een solostuk.
Het mooiste overleg ontstaat wanneer de directeur zijn visie inbrengt, de raad haar praktijkervaring toevoegt en er iets beters ontstaat dan wat er vooraf lag. Geen strijd, geen wedstrijd, maar samenspel.
Zoals in een goed koor. De dirigent blijft belangrijk. Maar het geluid wordt pas rijk als iedereen durft te zingen.