Ook experts worstelen met te ingewikkeld onderwijsrecht
Als een rechter de knoop moet doorhakken op school, dan betreden de partijen al snel een juridisch mijnenveld. Medezeggenschapsraden zijn niet de enige die verdwalen in het doolhof van procedures en wetgeving. Bijzonder hoogleraar Brechtje Paijmans zoekt naar oplossingen.
Tijdens haar recente oratie aan de Universiteit Leiden gaf Paijmans een overzicht van de gebreken in de rechtsbescherming van ouders en leerlingen. Bijvoorbeeld: een leerling is een bespreekgeval, er is een meerderheid voor bevordering, maar de uitkomst is toch dat de leerling niet over mag naar 4 havo. Gevolg: de leerling moet van school, want dit zou de tweede keer zittenblijven worden en dat is reden voor verwijdering. Zo staat het in de met instemming van de mr opgestelde schoolgids.
Is dat redelijk in dit geval? Een ouder met juridische ervaring zal een kort geding overwegen. En daar begint de narigheid al, blijkt uit de oratie van Paijmans. Want als het om een openbare school voor voortgezet onderwijs gaat, moet de procedure worden aangespannen bij de bestuursrechter. Is het een bijzondere school, dan is de civiele rechter aan zet. Die twee types rechters hebben hun eigen regels over het beoordelen van conflicten. De bestuursrechter toetst besluiten van een openbare school strenger dan de civiele rechter. Gevolg, aldus Paijmans: als het om het aanvechten besluiten gaat heeft de leerling in het openbaar onderwijs een sterkere positie dan de leerling in het bijzonder onderwijs. Daar komt nog bij dat alleen voor procedures bij de civiele rechter een advocaat verplicht is.
Geen wonder dat er 25 geschillencommissies bestaan in het onderwijs, bedoeld om zo min mogelijk naar de rechter te hoeven. Sommige commissies hebben een wettelijke basis, zoals die voor de medezeggenschap in primair en voortgezet onderwijs. Andere commissies zijn ingesteld door werkgevers en vakbonden gezamenlijk, waardoor alle scholen automatisch zijn aangesloten. Er bestaan ook commissies waar de aansluiting vrijwillig is en zelfs commissies die al jaren geen zaak meer hebben behandeld.
Bijvoorbeeld de Landelijke Commissie voor Geschillen medezeggenschap studenten en ouders mbo, waar sinds 2020 niets is besproken. Dat scheelt nogal met de Landelijke Klachtencommissie Onderwijs die gemiddeld honderd zaken per jaar behandelt over het gedrag, de omgang en beslissingen van medewerkers van de school.
Rechtsbescherming, hield hoogleraar Paijmans haar toehoorders voor, draait om evenwicht. Het belang van het onderwijs kan betekenen dat de school inbreuk maakt op individuele rechten van ouders en leerlingen. De benadeelde partij moet ergens terecht kunnen om zo’n besluit onafhankelijk te laten toetsen. De bestaande verschillen in procedures en kosten zorgen ervoor dat de toegang tot het onderwijsrecht onvoldoende in balans is. Nog erger: als een zaak bij gewone rechters komt, doen die in vergelijkbare gevallen soms tegengestelde uitspraken. Dat maakt de uitkomst van de gang naar de rechter wel erg onzeker.
Paijmans gaat met dit alles aan de slag via haar leerstoel Conflictoplossing en Rechtsbescherming in het Onderwijs. Die is bekostigd door de stichting Onderwijsgeschillen, waar de commissies elke werkdag praktijkervaring opdoen met de belemmeringen van wetgeving en procedures. De denkrichting van de bijzonder hoogleraar kwam in de oratie al aan de orde:
- uniformering van de rechtsbescherming
- minder procedures en minder instanties
- verankering van rechten in het Burgerlijk Wetboek en waar nodig in specifieke wetgeving
Maar let op, waarschuwt de wetenschapper: ook als het lukt procedureel eenvoudiger te werken, blijft de complexiteit van elke individuele zaak bestaan. Wel verwacht Paijmans dat het aantal te behandelen zaken zal verminderen als rechten en procedures duidelijker zijn. “Betere rechtsbescherming voorkomt onnodige conflicten en rechtsgangen.”
De volledige oratie wordt in het voorjaar gepubliceerd op Paijmans’ profielpagina bij de universiteit: Lees meer.