Smartphoneverbod: werkt het (nog)? Vijf vragen die de MR kan stellen
Sinds januari 2024 geldt in Nederland een landelijke afspraak die smartphonegebruik tijdens de les verbiedt. Scholen gaan verschillend om met die afspraak: sommige hanteren een gedeeltelijk verbod (alleen in de klas), andere een volledig verbod (ook tijdens pauzes en op het hele schoolterrein). Het kabinet wil de afspraak nu aanscherpen: het streven is dat ‘Thuis of in de Kluis’ vanaf 1 januari 2027 op alle scholen geldt. Dat voornemen maakt de vraag ‘wat levert het huidige beleid op en wat kan beter?’ extra actueel. De MR kan helpen om die vragen op tafel te krijgen.
Wat zeggen de onderzoeken?
Uit de evaluatie van de landelijke afspraak door het Kohnstamm Instituut en Oberon, gepubliceerd in juli 2025, blijkt dat scholen overwegend positieve ervaringen melden. In het voortgezet onderwijs noemt 75 procent van de scholen een betere concentratie en 59 procent een positiever sociaal klimaat. Minder scholen (28 procent) zien verbetering in de leerresultaten. Het gaat hierbij om ervaringen die scholen zelf rapporteren, niet om objectief vastgestelde effecten. Er worden ook knelpunten gemeld, zoals extra werk voor medewerkers die het verbod moeten handhaven en een toename van fysiek pest- en verstorend gedrag.
Is strenger beter?
Maar betekent dit dat een zo streng mogelijk verbod het beste werkt? Dat is niet gezegd. In januari 2026 publiceerden onderzoekers van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) van Maastricht University een studie naar smartphonebeleid op 24 middelbare scholen. Zij vergeleken scholen met een gedeeltelijk verbod met scholen waar smartphones ook in pauzes en op het hele schoolterrein verboden zijn. Een volledig verbod bleek niet samen te hangen met betere uitkomsten voor het welzijn van leerlingen, problematisch smartphonegebruik of (cyber)pesten. De onderzoekers waarschuwen daarom dat strenger beleid niet automatisch beter is. De studie is relatief kleinschalig, wellicht te kort op de invoering van de afspraken uitgevoerd en bewijst niet dat een volledig verbod schadelijk is, maar geeft zeker aanleiding om kritisch naar de eigen aanpak te kijken.
Welke rol heeft de MR?
De eerste vraag voor de MR is hoe het smartphonebeleid binnen de school is vastgelegd. De school maakt zelf afspraken over de praktische uitwerking van de landelijke richtlijn. Als de afspraken onderdeel zijn van het schoolreglement, ligt artikel 10, eerste lid, onder c, van de Wet medezeggenschap op scholen (Wms) voor de hand als uitgangspunt: de MR heeft instemmingsrecht bij de vaststelling of wijziging van het schoolreglement. Als het smartphonebeleid daarnaast betrekking heeft op regels over veiligheid, gezondheid en welzijn binnen de school, kan ook artikel 10, eerste lid, onder e, Wms relevant zijn: het bevoegd gezag heeft de voorafgaande instemming van de MR nodig voor besluiten over het veiligheids-, gezondheids- en welzijnsbeleid op school, voor zover die niet tot de bevoegdheid van de personeelsgeleding behoren.
Ook het leerlingenstatuut kan een rol spelen. Daarin staan de rechten en plichten van leerlingen, waaronder afspraken over gedrag en de regels binnen de school. Op grond van artikel 14, derde lid, onder b, Wms heeft de leerlingengeleding van de MR instemmingsrecht bij de vaststelling of wijziging van het leerlingenstatuut. Als de smartphoneafspraken daarin worden opgenomen of gewijzigd, is dat dus een belangrijk aandachtspunt voor de leerlingengeleding.
Staat het smartphonebeleid (ook) in de schoolgids, dan is artikel 14 Wms van belang. In het voortgezet onderwijs heeft het ouder- en leerlingendeel van de MR instemmingsrecht bij de vaststelling of wijziging van de schoolgids.
De personeelsgeleding heeft daarnaast een eigen positie. Smartphonebeleid kan immers gevolgen hebben voor de werkzaamheden van docenten en andere medewerkers, bijvoorbeeld doordat zij het verbod moeten handhaven en overtredingen moeten afhandelen. De MR kan de schoolleiding vragen welke gevolgen het beleid heeft voor de werkbelasting en hoe daarmee rekening wordt gehouden. Of de personeelsgeleding daarbij een afzonderlijk instemmingsrecht heeft, hangt af van het concrete besluit en de toepasselijke medezeggenschapsregeling.
Welk medezeggenschapsrecht precies van toepassing is, hangt dus af van de manier waarop de school de afspraken heeft vastgelegd. Niet iedere wijziging van smartphonebeleid vereist automatisch instemming van de hele MR.
Initiatief nemen
De MR kan ook zelf het initiatief nemen. Op grond van artikel 6, tweede lid, Wms kan de raad voorstellen doen en standpunten kenbaar maken over onderwerpen die de school betreffen. De MR hoeft dus niet te wachten tot de schoolleiding met een voorstel komt, maar kan zelf aandringen op een evaluatie of voorstellen doen om het smartphonebeleid aan te passen.
Vijf vragen die de MR kan stellen
Het is zinvol eerst te onderzoeken hoe het beleid op de eigen school uitpakt, voordat de discussie wordt gevoerd over de vraag of het verbod moet worden uitgebreid, gehandhaafd of versoepeld. Nu het kabinet een landelijke aanscherping wil, is het bovendien verstandig na te gaan wat de gevolgen daarvan voor de eigen school kunnen zijn. Daarbij gaat het niet alleen om de ervaringen met het beleid, maar ook om de onderbouwing van de conclusies die de school daaruit trekt. Welke gegevens zijn beschikbaar en welke signalen komen er van leerlingen, ouders en medewerkers?
Vragen die de MR kan stellen zijn:
1. Is de concentratie verbeterd? Ervaren docenten en leerlingen meer rust tijdens de lessen? Zien docenten verschil in de manier waarop leerlingen werken en leren?
2. Wat doet het beleid met de sfeer? Is er meer contact tussen leerlingen in de pauzes? Zijn er minder conflicten of pestincidenten, of zijn er juist nieuwe problemen ontstaan?
3. Is het beleid uitvoerbaar? Zijn de afspraken voor iedereen duidelijk en worden ze consequent gehandhaafd? Levert dat medewerkers veel extra werk op? Hoe ervaren docenten en andere medewerkers de handhaving en wat kan de school doen om de extra belasting te beperken?
4. Is er voldoende draagvlak? Hoe kijken leerlingen, ouders en personeel tegen de regels aan? Een MR kan ervaringen ophalen bij de achterban en nagaan of de afspraken in de praktijk werkbaar zijn.
5. Zijn uitzonderingen goed geregeld? Is duidelijk wanneer telefoongebruik voor onderwijsdoeleinden, medische redenen of vanwege een beperking wel is toegestaan? En weten leerlingen en medewerkers hoe dat werkt?
Bespreken
Voor de MR is het in elk geval een onderwerp om met de schoolleiding te bespreken. Vraag om een evaluatie, breng ervaringen van leerlingen, ouders en personeel in kaart en bespreek welke aanpassingen eventueel nodig zijn. Vraag daarbij ook op welke gegevens de school haar conclusies baseert en hoe zij de signalen uit de praktijk meeweegt. Bespreek hoe de school zich voorbereidt op de voorgenomen landelijke aanscherping. Als het beleid wordt gewijzigd, moet worden vastgesteld welk medezeggenschapsrecht van toepassing is.
Tot slot
Het doel is niet om per se voor een strenger of juist soepeler verbod te kiezen. Het gaat erom dat de afspraken bijdragen aan goed onderwijs en een prettig schoolklimaat en dat de school bereid is ze bij te stellen als de praktijk daartoe aanleiding geeft.
Loopt uw MR of GMR tegen vragen aan? De trainers en adviseurs van de AOb kunnen ondersteunen met juridisch advies, begeleiding en maatwerktrainingen over onder meer financiën, onderwijsvernieuwing, samenwerking binnen de MR en de toepassing van de WMS.