AI op school: waar moet de MR op letten?
Vorig schooljaar kon de discussie over kunstmatige intelligentie (AI) op school nog beginnen met de vraag of leerlingen en docenten ChatGPT en andere AI-tools wel zouden moeten gebruiken. Inmiddels is die vraag achterhaald. AI wordt al volop gebruikt in het onderwijs. De vraag voor scholen is daarom niet meer óf AI een plek krijgt, maar hoe de school daar verantwoord mee omgaat.
In het eerdere AOb-artikel ‘AI in het onderwijs: kansen en aandachtspunten voor de MR’ (september 2025) stonden de mogelijkheden en risico's van AI centraal. Inmiddels zijn we een jaar verder. Sinds 2 augustus 2026 is een groot deel van de Europese AI-verordening van toepassing. Voor sommige onderdelen gelden andere overgangstermijnen. Deze wet beoogt de rechten van mensen te beschermen en te zorgen dat AI in Europa veilig blijft. Tegelijk ontwikkelt de onderwijspraktijk zich snel. Voor de MR is het daarom tijd om een stap verder te gaan: hoe zorg je ervoor dat AI niet zomaar de school binnenkomt, maar onderdeel wordt van zorgvuldig beleid? Voor we beginnen: waar in dit artikel over de schoolleiding of de school wordt gesproken, geldt uiteraard dat de formele gesprekspartner van de MR op grond van de WMS het bevoegd gezag is. In de praktijk kan de schoolleider namens het bevoegd gezag optreden.
AI is al onderdeel van de onderwijspraktijk
De cijfers laten zien dat AI geen toekomstmuziek meer is. Ongeveer een derde van de docenten in het voortgezet onderwijs gebruikt generatieve AI. Dat gebeurt onder meer voor het maken van lesplannen, het snel verzamelen van informatie en het beoordelen van leerlingenwerk. Tegelijkertijd vindt 80 procent van de vo-docenten dat zij nog niet over voldoende kennis en vaardigheden beschikken om AI effectief in te zetten in het onderwijs. Dat verschil is belangrijk. Een school kan wel besluiten dat AI onderdeel wordt van het onderwijs, maar daarmee zijn medewerkers nog niet automatisch toegerust om er goed mee te werken. Voor de MR begint de discussie daarom de vraag: welke AI wordt op onze school al gebruikt en welke afspraken zijn daarover gemaakt?
Van los zand naar beleid
AI-gebruik kan op veel verschillende plekken in een school voorkomen. Een docent gebruikt een chatbot om een lesvoorbereiding te maken. Een leerling gebruikt AI om ideeën voor een werkstuk te verzamelen. Een IB’er gebruikt een digitale toepassing om leerlingen extra oefenmateriaal te geven. Een medewerker laat een AI-tool een tekst samenvatten. Die toepassingen lijken misschien los van elkaar te staan, maar samen vormen ze het AI-landschap van de school.
Het is daarom verstandig dat de school niet alleen losse regels opstelt voor bijvoorbeeld ChatGPT bij huiswerk, maar een bredere visie ontwikkelt.
Wil de MR weten hoe ver de school is met die visie, dan zijn de volgende vragen relevant:
- Welke AI-toepassingen gebruikt de school?
- Voor welke doelen worden ze ingezet?
- Welke toepassingen zijn toegestaan en welke niet?
- Wie beoordeelt nieuwe AI-toepassingen voordat ze worden gebruikt?
- Hoe worden medewerkers, leerlingen en ouders geïnformeerd?
De WMS kan daarbij een belangrijke rol spelen. Wanneer AI-beleid onderdeel wordt van bijvoorbeeld het schoolplan, het onderwijsprogramma, de onderwijs- en examenregeling of andere beleidsgebieden waarvoor de MR een bevoegdheid heeft, moet de school uiteraard rekening houden met de medezeggenschapsrechten die daarbij horen.
De WMS kent geen apart instemmingsrecht voor AI-beleid. Wel kunnen besluiten over AI onderwerpen raken waarvoor de MR (of een van de geledingen)advies of instemmingsrecht heeft. Denk bijvoorbeeld aan wijzigingen van het schoolplan, regels op het gebied van veiligheid en gezondheid, de verwerking en bescherming van persoonsgegevens van personeel en, afhankelijk van de onderwijssector en het onderwerp, de inrichting van het onderwijs.
Voor de MR is daarom niet alleen de vraag óf er AI-beleid wordt gemaakt, maar vooral wat er in dat beleid wordt geregeld. De inhoud en de gevolgen van een voorgenomen besluit bepalen welke medezeggenschapsrechten van toepassing zijn.
AI-geletterdheid is geen extraatje
Een belangrijke ontwikkeling sinds het vorige schooljaar is, zoals gezegd, de Europese AI-verordening. Artikel 4 van deze verordening, dat sinds 2 februari 2025 van toepassing is, verplicht organisaties die AI-systemen aanbieden of gebruiken om maatregelen te nemen om de AI-geletterdheid van hun personeel en andere betrokkenen te bevorderen. Sinds de wijziging in 2026 schrijft de verordening daarbij geen specifiek niveau van AI-geletterdheid voor.
Organisaties die AI-systemen gebruiken, moeten maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat medewerkers en anderen die namens de organisatie met AI werken over voldoende kennis, vaardigheden en begrip beschikken. Dat betekent voor een school meer dan een keer een workshop ‘ChatGPT voor beginners’ organiseren.
AI-geletterdheid gaat ook over de beperkingen en risico's van AI. Kan een docent herkennen dat een AI-systeem een overtuigend maar onjuist antwoord geeft? Weet een medewerker welke gegevens wel en niet in een AI-tool mogen worden ingevoerd? Weet de school wat er kan gebeuren als een AI-systeem sommige leerlingen structureel anders beoordeelt of behandelt dan andere leerlingen? De MR kan daarom vragen naar een structureel professionaliseringsplan. Hoe worden medewerkers geschoold? Voor wie is scholing nodig? Wordt de kennis regelmatig bijgewerkt? Dat zijn heel terechte vragen.
De Inspectie constateert immers dat een groot deel van de docenten zelf aangeeft nog onvoldoende kennis en vaardigheden te hebben. Sinds augustus 2026 zijn de Europese en nationale autoriteiten verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van de AI-verordening. Voor artikel 4 geldt de verplichting zelf al sinds 2 februari 2025.
Wat gebeurt er met persoonsgegevens?
AI en privacy zijn nauw met elkaar verbonden. Een docent die een tekst van een leerling in een openbare AI-tool plakt om feedback te laten genereren, kan onbedoeld persoonsgegevens verwerken. Hetzelfde geldt voor informatie over leerresultaten, gedrag, begeleiding of bijzondere omstandigheden. De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) waarschuwt dat generatieve AI risico's met zich meebrengt voor persoonsgegevens en benadrukt dat organisaties moeten nadenken over de rechtmatigheid van gegevensverwerking. Voor de MR is de vraag daarom niet alleen: Is deze tool handig? Maar ook: Welke gegevens gaan erin, waar komen die terecht en wie heeft daar controle over?
Bij het gebruik van nieuwe AI-toepassingen moet een school daarom vooraf ook de privacyrisico’s in kaart brengen. Als de verwerking waarschijnlijk een hoog privacy risico oplevert, kan een Data Protection Impact Assessment (DPIA) nodig zijn. Zo'n beoordeling brengt de risico's voor de privacy van leerlingen en medewerkers in beeld en laat zien welke maatregelen nodig zijn om die risico's te beperken. Ook moet de school nagaan welke afspraken met de leverancier zijn gemaakt. Wanneer een leverancier persoonsgegevens namens de school verwerkt, zijn die afspraken doorgaans vastgelegd in een verwerkersovereenkomst. Daarin staan onder meer afspraken over welke gegevens worden verwerkt, waarvoor dat gebeurt, hoe ze worden beveiligd en wat er met de gegevens gebeurt.
De AP adviseert onderwijsinstellingen om beleid en beheersprocessen voor algoritmes en AI in te richten en aandacht te besteden aan de kennis van docenten. Dat betekent bijvoorbeeld dat een school overzicht moet hebben van de AI-tools die binnen de organisatie worden gebruikt en bij nieuwe toepassingen een AVG-risicobeoordeling moet uitvoeren. Ook 'schaduw-ICT' (toepassingen die individuele medewerkers zelf aanschaffen of gebruiken) verdient aandacht.
Voor de MR zijn dat belangrijke vragen. Is vooraf onderzocht welke privacyrisico’s een AI-tool oplevert? Is een DPIA uitgevoerd als dat nodig is? Zijn er goede afspraken met de leverancier gemaakt? En weten medewerkers welke AI-tools zij wel en niet mogen gebruiken?
AI en toetsen: wat beoordelen we eigenlijk?
Misschien wel de lastigste vraag voor het onderwijs is wat AI betekent voor toetsing. Als een leerling een werkstuk met behulp van AI kan maken, hoe weet een docent dan wat de leerling zelf kan? En als een leerling AI wél mag gebruiken, welke vaardigheden moet hij of zij dan juist laten zien? De oplossing is niet automatisch een verbod op AI. Het kan ook betekenen dat scholen opnieuw moeten nadenken over de manier waarop zij kennis en vaardigheden beoordelen.
Vragen die de MR hierover kan stellen:
- Welke afspraken gelden voor AI bij opdrachten en toetsen?
- Wanneer is AI toegestaan?
- Moet een leerling AI-gebruik vermelden?
- Hoe wordt gecontroleerd of een leerling het werk zelf begrijpt?
- Zijn bepaalde toetsvormen inmiddels aan verandering toe?
Het gaat uiteindelijk om een grotere onderwijsvraag: wat willen we dat leerlingen leren in een wereld waarin AI steeds meer werk kan overnemen? De discussie daarover raakt rechtstreeks aan het curriculum en de onderwijsvisie van de school.
Verantwoord AI-gebruik door leerlingen
Het is verleidelijk om AI-geletterdheid vooral als een leerlingvraagstuk te zien. Maar leerlingen leren verantwoord omgaan met AI niet vanzelf. De school heeft een rol bij het ontwikkelen van kritisch vermogen. Leerlingen moeten bijvoorbeeld leren dat een AI-systeem overtuigend kan formuleren zonder dat de informatie klopt. Ook moeten zij begrijpen dat een AI-uitkomst niet automatisch neutraal is. De nieuwe onderwijsontwikkelingen maken dat gesprek extra relevant. De nieuwe kerndoelen voor Nederlands en rekenen en wiskunde zijn sinds augustus 2026 formeel van kracht. Voor scholen geldt overgangsrecht, waardoor zij tot 2031 stapsgewijs kunnen overstappen. De overige nieuwe kerndoelen worden gefaseerd ingevoerd, vanaf 2027. Digitale geletterdheid maakt deel uit van de geactualiseerde kerndoelen en sluit daarmee direct aan bij het gesprek over AI. De MR kan daarom vragen: hoe krijgt verantwoord omgaan met AI een plek in het onderwijs van onze school?
AI en gelijke kansen
Niet iedere leerling heeft thuis dezelfde toegang tot AI-tools, dezelfde digitale vaardigheden of ouders die kunnen helpen bij het gebruik ervan. Als de school AI actief inzet bij huiswerk of opdrachten, kan dat daardoor onbedoeld verschillen tussen leerlingen vergroten. Een school kan bijvoorbeeld zeggen: ‘Iedereen mag ChatGPT gebruiken.’ Maar dat betekent nog niet dat iedere leerling dezelfde mogelijkheden heeft om er goed gebruik van te maken.
De MR kan daarom ook vragen naar de gevolgen voor kansengelijkheid:
- Kunnen alle leerlingen gebruikmaken van de benodigde tools?
- Worden leerlingen die minder digitaal vaardig zijn extra ondersteund?
- Is duidelijk welke AI-tools gratis en toegankelijk zijn?
- Worden ouders voldoende geïnformeerd?
En wat betekent AI voor het personeel?
AI wordt vaak gepresenteerd als een manier om werkdruk te verminderen. Dat kan inderdaad zo zijn. Een docent kan sneller een eerste lesopzet maken of feedbackideeën verzamelen. Maar AI kan ook extra werk opleveren. Output moet worden gecontroleerd, aangepast en soms volledig herschreven. Nieuwe systemen moeten worden geleerd en beoordeeld. Bovendien kan de introductie van AI leiden tot nieuwe verwachtingen: als een taak met AI sneller kan, moet een docent hem dan ook sneller uitvoeren? Daarom hoort bij AI-beleid ook de vraag: wat betekent deze technologie voor het werk van medewerkers?
Daarbij gaat het niet alleen om werkdruk. AI kan ook worden ingezet om werkzaamheden of prestaties van medewerkers te monitoren of te analyseren. Denk bijvoorbeeld aan systemen die gegevens verzamelen over productiviteit, aanwezigheid, communicatie of het verloop van werkzaamheden. Ook kan AI worden gebruikt bij de beoordeling of aansturing van medewerkers, bijvoorbeeld door patronen of prestaties te analyseren of informatie aan te leveren voor beslissingen over functioneren. Dat roept belangrijke vragen op: welke gegevens worden gebruikt, met welk doel, wie kan de uitkomsten zien en hoeveel invloed heeft zo'n systeem op een beslissing over een medewerker? Juist bij AI die wordt gebruikt voor monitoring, beoordeling of beslissingen over medewerkers is extra zorgvuldigheid nodig. Afhankelijk van de toepassing kunnen daarvoor bovendien specifieke regels uit de AI-verordening gelden.
Voor de personeelsgeleding van de MR kan dat een belangrijk gesprek zijn. De WMS kent het personeelsdeel specifieke instemmingsbevoegdheden toe, onder meer rond arbeidsomstandigheden, maar ook over regelingen rond het verwerken en beschermen van persoonsgegevens van personeel. Ook hier is het belangrijk om niet alleen naar de technologie zelf te kijken, maar naar de gevolgen voor medewerkers. Wordt AI een hulpmiddel dat het werk ondersteunt, of ontstaat er een systeem waarmee medewerkers kunnen worden gevolgd of beoordeeld? En welke afspraken worden daarover gemaakt? Dat zijn vragen die thuishoren in het gesprek over AI op school.
De MR hoeft niet alle antwoorden te hebben
Een MR hoeft geen deskundige te worden op het gebied van kunstmatige intelligentie. De belangrijkste taak is om de juiste vragen te stellen. Vraag de schoolleiding om te beginnen om een overzicht van:
- Welke AI-toepassingen gebruiken we?
- Waarvoor gebruiken we die?
- Welke gegevens worden verwerkt?
- Welke risico's zijn beoordeeld?
- Hoe worden medewerkers geschoold?
- Welke afspraken gelden voor leerlingen?
- Hoe wordt het beleid geëvalueerd?
- En een heel belangrijke vraag: wie houdt binnen de school overzicht over AI en is verantwoordelijk voor het beleid?
Maak AI dit schooljaar een vast onderwerp
AI ontwikkelt zich sneller dan schoolbeleid meestal kan worden aangepast. Een beleid dat vandaag actueel is, kan over een paar maanden alweer achterhaald zijn. Daarom hoeft de MR niet te streven naar één definitief AI-document dat jarenlang meegaat. Een duidelijke visie, heldere uitgangspunten en regelmatige evaluatie zijn waarschijnlijk belangrijker.
Plan AI daarom niet één keer op de agenda omdat het onderwerp nu eenmaal actueel is. Maak er een terugkerend gesprek van. Kijk bijvoorbeeld halverwege het schooljaar opnieuw naar AI, en dan met de volgende vragen aan de schoolleiding. Op grond van het informatierecht uit artikel 8 WMS moet het bevoegd gezag het antwoord op die vragen verstrekken.
- Welke AI-toepassingen gebruiken we inmiddels?
- Welke ervaringen hebben docenten en leerlingen?
- Zijn er incidenten geweest?
- Werken de afspraken?
- Is aanvullende scholing nodig?
- Moet het beleid worden aangepast?
De MR heeft de belangrijke rol om ervoor te zorgen dat de school bewust keuzes maakt. Juist daarom verdient AI een vaste plek op de agenda van de medezeggenschapsraad. De MR zou zichzelf daarbij steeds drie vragen moeten stellen:
- Wat is het voorgenomen besluit?
- Wie neemt dat besluit en namens wie?
- Welk WMS-recht hoort bij dat besluit: informatie, overleg, advies of instemming, en ligt dat recht bij de MR of bij een geleding?
Loopt uw MR of GMR tegen vergelijkbare vragen aan? De trainers en adviseurs van de AOb kunnen ondersteunen met juridisch advies, begeleiding en maatwerktrainingen over onder meer financiën, AI, onderwijsvernieuwing, samenwerking binnen de MR en de toepassing van de WMS.